“Je moet een ploeteraar zijn en onzeker blijven”

Interview met fotograaf Erwin Olaf

Erwin Olaf werd geboren in Hilversum, volgde de school voor Journalistiek en richtte zich na zijn afstuderen op fotografie. Zijn handelsmerk is maatschappelijke vraagstukken, taboes en burgerlijke conventies aanpakken in een gestileerde omgeving met prachtige scenario’s en een vlijmscherpe, conceptuele beeldspraak.

Waar haal je je drive uit?
Ik denk vanuit een burgerlijke energie waarin je niet stil mag zitten. Ik ben al wat ouder en behoor tot de generatie ‘Top of the wave’. Nu heb je een miljoen fotografen, maar toen ik begon had je er nog maar vijfhonderd. Je moet talent hebben en ook een boekhouder zijn. Je kunt wel heel hip met je tijd meegaan en een heel mooi glad praatje hebben, maar uiteindelijk moet er gewoon goed werk en op tijd geleverd worden. Aan een deadline hangt een bepaalde kwaliteit gecombineerd met talent. Je moet kunnen doorzetten en ik denk ook dat je onzeker moet blijven. Je ziet zoveel mensen die getalenteerd zijn maar van hen krijg je op een gegeven moment ijdelheid voorgeschoteld.

Waar komt je passie vandaan?
Het is eigenlijk meer dat ik mij snel verveel. Vooral toen ik werkeloos was. Het was begin jaren tachtig en er heerste een enorme werkeloosheid. Ik kwam net van de School van Journalistiek af en was een bijzonder matig getalenteerde journalist. Ik had geen werk tot groot verdriet van mijn ouders, maar ook van mijzelf. Ik heb mijzelf daar altijd heel erg ongelukkig over gevoeld. Maar ik had gewoon wel die energie. Je moet niet alleen de boekhouder zijn die getalenteerd is, maar je moet ook een beetje dom zijn, een beetje een plaat voor je harses hebben. Soms moet het zo zijn dat je niet hoort dat er kritiek is, dat je niet door hebt dat mensen je stukken niet mooi vinden. Je moet een soort dolle stier zijn, met een drive die je niet echt kunt benoemen. Ik ben natuurlijk zelf het bewijs. Ik heb laatst een talkshow gezien waar over pesten gesproken werd. Ik werd vroeger ook heel erg gepest, omdat ik homo was en meisjesachtig deed. Het grappige was dat in dat programma een psycholoog zat die vertelde dat je daar op latere leeftijd nog steeds last van kunt hebben, omdat je de hele tijd perfectionistisch wilt zijn. Je wilt niet meer gepest worden. Het voelde als een bevrijding toen ik vanuit Amersfoort naar Amsterdam verhuisde. In Amsterdam had je allemaal mensen met verschillende achtergronden. Ik vond het interessant en vanuit die gedachte ben ik toen ook gaan fotograferen. Eerst fotografeerde ik voor de journalistiek maar daar lag mijn interesse niet. Daarom ben ik later iedereen de studio in gaan slepen en ben ik eigenlijk zo mijn eigen groep gaan fotograferen.

Zijn er mensen in jouw familie artistiek?
Ik vind altijd dat mijn moeder die de huishoudschool heeft gedaan in potentie heel erg creatief was. Ze ging wel eens borduren of ansichtkaarten maken. Alleen heeft ze nooit doorgezet. In mijn klas op de lagere school zat een meisje waar ik veel mee om ging. Haar vader was directeur bij de Landelijke Kunst, die tekende en schilderde en ik kreeg zijn stukken mee naar huis. Zo ben ik er eigenlijk mee in aanraking gekomen en zag ik dat het leven meer te bieden had. Doordat ik ook films ging bekijken en literatuur mocht lenen, reis je zo ook in de wereld van een ander. Als je Van het Reve hebt gelezen die alleen maar over seks en masturbatie schrijft en toch goed wordt gevonden, waarom zou ik dan niet naakt mogen fotograferen?

Toch knap dat je het hebt gedaan en gedurfd.
De jaren tachtig waren heel liberaal. Toen ik op kamers ging wonen, leerde ik mensen kennen van de kunstacademie. Een van mijn beste vrienden was naaktmodel, een andere vriendin ging altijd naar een nudistencamping. Het was allemaal heel normaal. Ikzelf was eigenlijk heel preuts. De eerste tien jaar van mijn fotografie gaan alleen maar over het ontkiemen van mijn seksuele hormonen.

Is het als je zelf nog zoekende bent niet moeilijk om die eerste foto’s te maken?
Het begon eigenlijk meer als een geintje. Ik had net in de krant over een dikke vrouw in Utrecht gelezen die een paar jongens in elkaar had geslagen. Ik belde die vrouw op en ze zei meteen: “Ja, maar dan moet ik zeker wel naakt.” Haar lichaam was helemaal niet meer zo’n taboe. In 1980 leerde ik Hans van Manen kennen, choreograaf bij het Nederlands en Nationaal Ballet en moest hem interviewen voor het blad van COC. Dansers zijn heel lichamelijk en Hans maakte dus veel mannelijk naakt. Het lichaam was gewoon onderwerp. Ook als je naar het werk kijkt van andere bekende fotografen in die tijd zoals Mapplethorpe en Paul Blank, zoals zelfportretten van jongens met een erectie.

Herkende Hans bij jou de passie voor fotografie?
Ik moet wat van mijzelf weggeven anders vind ik het geen goede foto. Er moet iets unieks van de maker inzitten anders kan iedereen het doen en ben ik overbodig. Hans van Manen zei al in 1980 dat je altijd vrij werk moet blijven maken. Ik heb het romantische idee dat als je vrij werk maakt, je iets weggeeft van jezelf. En dat je het dan ook alleen maar doet omdat je die onuitstaanbare drang hebt om iets weg te geven van je eigen diepste ziel en wat je op dat moment beweegt.

Maar jij bent ongelofelijk divers.
Ik wil altijd graag iets laten zien van mijn ziel en die ziel is altijd in beweging.

Waar komt die conceptuele inslag vandaan?
Ik vind het prettig om mijn idee en mijn gevoel niet in één foto te uiten maar in een soort verhaal van verschillende beelden. Daar ben ik mee begonnen in 1988. Dat waren 32 foto’s die net schaakstukken zijn. Een verhaal in een verhaal.

Hoe kwam je op het idee dat je meer een verhaal wilde vertellen?
Hans van Manen is een grote stimulator geweest. Er zijn altijd personen in je leven die je een kans geven. Door mijn oud-leraar, Dirk van der Spek, ben ik gaan fotograferen. Dirk is later uitgever geworden. Hij vroeg mij of ik een boek met hem wilde maken. Ik had alleen niet zoveel foto’s voor een boek. In die week lag ik op een avond in bed te luisteren naar een radioprogramma waarin iemand heel bevlogen over schaken vertelde, dat schaken een oorlogsspel is. Ik dacht op dat moment: een oorlogsspel met 32 stukken? Dat werd de insteek voor de fotografie.

Je hoort dingen en je combineert ze. Dat is een gave.
Mensen zeggen ook wel dat ik alles op gehoor doe. Misschien een combinatie van talent en ‘drive’. Je hebt zoveel mensen met ideeën, maar ga het maar eens doen. Uitvoeren is het aller-moeilijkste wat er is. Als het niet goed is, moet je het nog een keer doen.

Waarom is je drive zo sterk om het conceptueel en verhalend te doen?
Tijdens het project ‘Chessmen’ werd ik erg geïnspireerd door Joel-Peter Witkin. Terugkijkend waren dat misschien teveel foto’s maar ik kon daarmee wel een wereld creëren en jou als kijker daarin meenemen. Als je denkt dat je iedere keer een uniek concept moet hebben, dan verschiet je enorm veel kruit. Je kunt beter je kruit een beetje droog houden door een idee gedetailleerd uit te werken in verschillende foto’s.

Dat zijn vrije opdrachten, maar neem de opdracht van het Leidens Ontzet?
Het allerbelangrijkste van welke opdracht dan ook is goed luisteren naar je klant. Dat vind ik enorm fijn en daarom werk ik niet graag met Nederlandse bureaus, want die schijten op hun klant. Bij het Leidens Ontzet was de opdracht een groepsportret van 2 bij 3 meter te maken en de hoofdrolspelers in een historische setting te fotograferen. De burgemeester vond toen dat sommige figuren niet goed in het geheel stonden. Dan kan ik denken: “Ik ben een groot fotograaf dus ik luister niet.” Maar als je je de hele tijd blijft verzetten, komt er niks uit je kop. Die mensen moeten verder leven met wat jij maakt en ik kan met het geld dat ik daarmee verdien weer maanden verder. Dus ik ben dan helemaal vrij. Maar ik vind dat je wel met de wensen van de opdrachtgever rekening moet houden. Uiteindelijk is de wil van de klant wet. Maar de ruimte en standpunten heb ik bepaald. Mijn inbreng was de hoeveelheid mensen en de hele setting. De mensen waarmee ik werkte, van de amateur-vereniging, hebben mij op het idee gebracht om hedendaagse elementen in de foto te stoppen. Ik heb drie dagen gefotografeerd maar uiteindelijk is het één beeld geworden. Weer een verhaal in een verhaal. Over tien jaar moeten mensen er nog langs kunnen lopen.

Wat doe je ter voorbereiding?
Ik spreek veel mensen en ik lees me in ter voorbereiding. Daarna spreek ik het liefst af met de curator en de directrice die er over gaat. De allerbelangrijkste mensen zijn de mannen uit het depot, want die geven de details. Ik wil niet alles weten, niet meer dan ik wil weten. Al die informatie slaat dood. De details zijn het belangrijkst. Die bepalen de hele essentie. Daar gaat het om.

Je foto’s lijken erg op schilderijen. Heb je daar een passie voor?
Ik haal veel inspiratie uit kunst. Ik ga vaak naar tentoonstellingen kijken. Schilderijen van Rembrandt, Rubens of een bezoek aan het Louvre vind ik fantastisch. Dat kan mij heel erg inspireren. Richard Avedon en Mapplethorpe zijn de absolute top. Daar wil ik graag komen. Ik vind Nederlandse schilders als Dick Ket en Jan Mankes heel erg goed, omdat ze mensen schilderen in grote simpelheid en het doortrekken naar de essentie van iets. Licht is het belangrijkste element in een goede foto. 90% van de ideeën valt of staat met de uitwerking en met het juiste licht en de juiste kleuren. Dat zijn basisvoorwaarden.

Volg je een bepaalde weg bij het verkrijgen van een opdracht?
Ja, belangrijk is je eerste gesprek, dat je dat goed analyseert en weet welke kant ze op willen. Is het ook iets voor mij dan matchen we. Ik hou niet van ‘gelul’-mensen maar van gewone ambachtsmensen die met oplossingen komen, die alles weten over een bepaald onderwerp.

Wat zou je nu heel graag nog willen doen?
Als het mij gegeven zou zijn om de speelfilm te maken die ik in mijn hoofd heb of een miniserie dan zou ik dát willen doen. Ik heb in fotografie wel heel veel gedaan wat ik wilde. Als je kijkt naar mijn werk van midden jaren ’90 dan zie je dat er een flinke dip in zit. Dat was toen ik weer een beetje journalistiek fotograaf werd. Gelukkig word ik altijd op tijd gered. Toen kwam de Diesel campagne.

Waarom moest je gered worden dan?
Omdat ik mij heel erg op de Nederlandse markt bleef richten. Je moet een ploeteraar zijn. Als je zoveel tijd krijgt dan moet het in dat tijdbestek af zijn. Mijn carrière was oké maar ik zat eigenlijk aan het Nederlands plafond, ik bleef een beetje hangen in opdrachtfotografie. Door de commerciële opdrachten van onder meer Diesel kon ik internationaal werk maken. Na een tijdje moet ik weer vrij werk maken en dan zegt mijn gevoel: het moet eruit! Meestal komen die ingevingen dan einde winter en in de zomer moet het dan naar buiten. Sinds dat ik ook vrij werk kan maken, zit mijn carrière in de lift.

This entry was posted in Boeken/artikelen. Bookmark the permalink.
US

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

WP-SpamFree by Pole Position Marketing