Waarom innovatie moeilijk is

Innoveren is lastig. Angst is de grootste vijand van innovatie. Je moet lef en doorzettingsvermogen hebben. Er zullen veel mensen tegen je zeggen dat het toch niet lukt. En als de innovatie er eenmaal is, zullen mensen het ook niet direct oppakken. De markt kent het immers nog niet. Vooral Nederlanders zijn risicomijdend. We zijn een creatief en ondernemend volkje, we kunnen onafhankelijk nadenken, maar we zijn traag in het oppakken van nieuwe dingen.

Voor nieuwe dingen heb je bovendien anderen nodig en moet je samenwerking aangaan. Dat hebben we niet geleerd op school. We zijn te individualistisch. In Latijns Amerika kunnen ze bijvoorbeeld goed samenwerken, maar Nederlanders zijn daar slecht in. We gunnen het elkaar ook niet snel, omdat we te hard hebben moeten vechten voor de plek waar we nu zitten. We zijn nuchter en blijven lang onze oude vaste patronen volgen. Bovendien gaat je kop eraf als hij in Nederland boven het maaiveld uitsteekt. We dragen elkaar niet op handen, maar we bekritiseren elkaar eerder.

ST080517_adv_twitter_Elon-Musk_440x340px

In Amerika juichen ze innovaties toe, in Nederland moet je vooral gewoon doen, dan doe je al gek genoeg en vooral niet naast je schoenen lopen. In Frankrijk worden overwinningen grootst gevierd. Kijk naar bouwwerken als de Arc de Triomphe en de prestigieuze Champs-Élysées, dat zie je in Nederland echt niet.

Het is alom bekend dat je een innovatie het best in Nederland kunt testen, want als de Nederlanders mee gaan, dan is de rest van Europa een eitje. Dus je hebt ook nog eens een lange adem nodig als je in Nederland wil innoveren. En toch is het noodzakelijk. Twee van de drie organisaties bevestigen dat ze niet overleven als ze niet op tijd innoveren, terwijl maar 33% van de bedrijven bezig is met vernieuwing en 50% van de bedrijven helemaal niets doet aan innovatie. Hoe komt dat?

Één van de redenen is dat we te zwaar belast zijn met alle dingen die we moeten doen op een dag; als werknemer, als ceo, als DGA en als ondernemer. Om te innoveren moet je vrij en onbelast kunnen nadenken, zonder de druk van de alledaagse dingen. Maar de allerbelangrijkste reden is dat onze hersenen niet klaar zijn voor innovatie.

Erik_Scherder

Onze manier van denken zit zo in elkaar dat we denken in vaste patronen. Dat komt door onze achtergrond, opvoeding en opleiding. We zijn getraind in analytisch denken. We zien iets, analyseren iets, vormen een mening, beargumenteren de mening en laten die mening vervolgens niet meer los.

We zoeken continu naar rust en veiligheid, omdat we al teveel aan ons hoofd hebben. Daarom volgen we vaste patronen en mijden we teveel keuzemogelijkheden. Zo hebben we bijvoorbeeld 36 miljoen mogelijkheden om ons op een andere manier te kleden tot aan onze dood, maar daar maken we geen gebruik van. We beperken onze mogelijkheden tot maximaal 20 keuzes. Van die kledingcombinaties weten we dat het lekker zit, warm is en goed staat, dus we hoeven ook niet verder na te denken over andere kledingcombinaties, en kunnen ons weer focussen op andere problemen. Het kost ook teveel moeite om onze mening te veranderen. Denk aan een renovatie van de weg dichtbij je huis. Je bent zo gewend om die weg naar huis te nemen, dat je steeds vergeet dat de obstructie er is. Dat komt omdat je gewend bent om vaste patronen te volgen. De introductie van de eerste mobiele telefoon kostte ook een paar jaar. De early adopters kopen hem als eerste en langzaam aan komt de rest van het publiek.

Einstein

‘Problemen los je ook niet op binnen het kader waarin ze zijn ontstaan’, zei Albert Einstein ooit. Wat je kunt doen is jezelf te trainen in het doorbreken van je eigen patronen. Dat begint al in de ochtend door elke dag een ander ritueel te volgen. Begin niet steeds eerst met het aantrekken van je linker sok. Neem niet altijd dezelfde weg naar huis. Ga eens op de fiets, ga met de trein, spreek elke week met andere mensen af die niet precies dezelfde achtergrond en visie hebben. Je leert van deze mensen. Doe elke week iets totaal anders dan wat je gewend bent. Ga een keer vliegen met een zweefvliegtuig, leer paardrijden, doe iets anders, stel jezelf open voor nieuwe dingen. Je zult zien dat je hersenen zich langzaam gaan openstellen voor out of the box denken.

Wil je graag innoveren? Ga dan meer samenwerkingen aan met jonge frisse talenten. Lees meer boeken over trends, bestudeer nieuwe business modellen en ontwikkelingen in de markt. Lees kranten en vakbladen. Praat met veel verschillenden mensen, waaronder leveranciers, je klanten, futurologen, trendsetters en anders denkenden.

Ga op zoek naar het DNA van je organisatie en koppel dit aan een megatrend, de latente behoeften van je doelgroepen en los een maatschappelijk probleem op. Kijk voor meer tips op www.heteivancolumbus.net

ST260417_E-flyer-event_Algemeen_NL

Posted in Disruptief, Innovatie | Leave a comment

Wat is er voor nodig om goed brood te maken?

Schermafbeelding 2015-11-23 om 15.59.54Piet Hein Eek, conceptueel ontwerper is geïnterviewd voor het boek “Het ei van Columbus”. We hebben hem als conceptdenker gevraagd naar zijn werkwijze om tot een goed concept te komen. Piet Hein Eek (‘67) werd geboren in Purmerend, studeerde af aan de Design Academy in Eindhoven met een kast van sloophout. Kiest vaak voor een sober ontwerp gemaakt van pure materialen, ontwerpt meubilair, verlichting, accessoires en houdt zich bezig met de inrichting van ruimtes. Nieuwsgierig naar zijn methode? Lees dan onderstaand artikel.

Hoe komt het dat Nederlandse ontwerpers vaak een conceptuele insteek hebben?
Er zijn naar mijn idee twee stromingen in conceptdenken: De nuchtere Nederlander uit de vorige eeuw zoals bijvoorbeeld Gerrit Rietveld die allerlei filosofieën en uitgangspunten achter zijn werk had. En je hebt daarna in de jaren ’90, toen ik begon te studeren, het nieuwe en wat meer sexy conceptontwerpen. En dat zijn eigenlijk twee totaal verschillende dingen. Rietveld maakt bijvoorbeeld vanuit een sociaal bewustzijn meubels die mensen zelf in elkaar kunnen zetten. Dat is een concept, een uitgangspunt dat een groter verhaal behelst. Eigenlijk een concept zoals je een concept zou willen noemen met de juiste wortels en uitgangspunten die je inspireren en vooruit helpen op het moment dat je vastloopt.

Het conceptdenken zoals dat nu wordt gebezigd door Nederlandse ontwerpers sinds de jaren ’90 gaat veel meer over ‘grappen’ en ‘grollen’. Dat is een lampje in het plafond draaien en zeggen: ‘’zie je wel, dat is ook een lamp’’. Dat is een soort spiegel voorhouden aan mensen of een reflectie geven. Dat is veel verhalender en anekdotischer. En het stomme is dat die door elkaar gebruikt worden, terwijl het ene een uiting is en het ander een uitgangspunt. Dus dat is nogal een verschil. En eigenlijk is het conceptontwerpen zoals het nu in de volksmond wordt gebruikt; het Droog Design en design in het algemeen, een verkeerd woord.

Waarom is conceptdenken volgens jou belangrijk?
Als je voor een bedrijf iets doet en je denkt vanuit de kern van het bedrijf, dan kom je tot oplossingen die zowel technisch als ook communicatief kloppen met wat het bedrijf doet en kan. Dat is natuurlijk wat je wil. Dan gaan dingen vanzelf. Dat is vrij breed want dat is de marketing, maar dat is ook wat je maakt en hoe je het maakt. Of hoe het eruit ziet en hoe goed het is of hoe slecht het is. Er zijn nogal wat beslissingen daarin.

Is Piet Hein Eek zelf het concept of ontwikkel je een concept voor een opdrachtgever?
Als ik ontwerp voor een opdrachtgever dan word ik gevraagd om wat ik doe. Ik mag doen wat ik wil want dat is de kern van de vraag. Maar dan probeer je natuurlijk wel het uitgangspunt van de opdrachtgever te kiezen. Dus dat is iets anders dan dat je voor jezelf iets ontwerpt. Maar de kern bij ons is wel altijd dat ik vanuit materiaaltechniek en ambacht oplossingen zoek en dat doe ik heel pragmatisch. Als een opdrachtgever mij vraagt dan zie ik dat meer als dienstverlening. Ze hebben een probleem en dat los ik dan voor ze op. Dat kan een ontwerp zijn, dat kan een andere manier zijn, dat kan communicatie zijn, het kan ook niks zijn.

Welke input is belangrijk om tot een goed concept te komen?
Ik wil altijd input van de opdrachtgever zelf, van de mensen die er werken en van de eigenaar van het bedrijf. Ik probeer altijd te weten te komen, als het een particulier is, hoe de mensen wonen en werken. Wat gebeurt er in zo’n huis? En dat geldt eigenlijk ook voor een bedrijf. Het is een kwestie van de juiste vragen stellen. Om tot een goed concept te komen moet je de kern van de problematiek koppelen aan de mogelijkheden. Het concept brengt eigenlijk die dingen bij elkaar en legt de doelstellingen of de problemen bloot, maar geeft ook de oplossing en dat is best lastig. Dat moet op het juiste niveau gebeuren en daar zie je het vaak misgaan. Dus je analytisch vermogen is wel heel belangrijk om conceptueel te kunnen denken. Als je het niet terug kunt brengen tot het echte probleem waar het om gaat en de oplossingen, dan praat je al niet over conceptdenken. Vaak komt een klant zelf met een verhaal waarin het probleem en de bedachte oplossing al een soort status-quo hebben bereikt. Het is slim om terug te gaan naar het echte probleem en vervolgens jezelf de vraag te stellen of de gekozen oplossing wel de juiste is. Meestal is dat namelijk niet het geval en is dat de reden dat het proces vastloopt en de klant hulp gaat zoeken.

Hoe ontstaan ideeën bij jou?
Vroeger had ik een week of twee nodig voor een ontwerp, maar nu teken ik het ontwerp gewoon uit tijdens het gesprek met de opdrachtgever. Meestal heeft het te maken met de hoeveelheid mensen. Welke mensen waar komen te zitten, te staan, waar ze komen te werken. Wat voor soort werk, wat voor soort ontspanning, eten, drinken, dat soort dingen. En ook wat een prettige omgeving is. Als je alleen een werkomgeving maakt dan worden mensen daar vaak niet gelukkig van. De gedachte dat iets is zoals het is kun je vaak overboord gooien en dan kun je het heel anders doen. Dus in de werkomgeving hoeft het niet een hele strakke kantooromgeving te zijn. Het moet een beetje organisch zijn. Bij ons is het altijd een beetje chaotisch. Maar mensen die ingericht willen worden kiezen toch ook vaak hun eigen verhaal. Wij geven meer een leidraad, een rode draad, waarbinnen mensen dan vervolgens hun gang kunnen gaan.

Het is ook leuk om een ruimte terug te geven die doorontwikkelt. Op het moment dat je iets inricht, is dat het en kun je het niet meer veranderen. Dan bied je ook geen mogelijkheid om je eigen veranderingen in de ruimte door te voeren. En mensen veranderen, iedereen verandert. Terwijl de consensus van de afgelopen decennia is dat een ruimte of een gebouw gefixeerd is op een idee. Als je dat loslaat dan kun je alle kanten op. Dat blijkt toch wel ingewikkeld te zijn.

Hoe komen jullie tot een goed concept?
Een goed concept is een verhaal dat voortborduurt op de kernwaarden van wat er al is.

Wat zijn de eigenschappen van een goed concept?
Originaliteit, eigenheid, eenvoud, lange-termijn-denken en ontwikkeld vanuit passie. Verkoop je brood omdat je een goede bakker bent en omdat je van brood houdt of verkoop je brood om geld te verdienen? Doe je iets omdat je het belangrijk en leuk vindt of om geld te verdienen? Vanaf de Tweede Wereldoorlog tot 2002 was er maar één waarheid en dat was dat je alles deed om geld te verdienen. Zoveel mogelijk geld verdienen en zo min mogelijk werken. Dat is een beetje omgeslagen gelukkig. Bij ons is dat wel echt de kern. Het maakt me echt niet uit. Als ik verlies zou maken en geen haan zou ernaar kraaien, dan zou ik het nog doen. Ik vind het belangrijker dat ik iets doe wat ik belangrijk en leuk vind, dan dat ik er geld aan verdien. Aan de andere kant weet ik ook dat ik dat alleen maar kan doen als ik geld verdien of voldoende mogelijkheden heb om geld te verdienen. Dan wordt het alsnog belangrijk maar dan zit het wel in de randvoorwaarden en niet in de doelstellingen. En ik geloof dat het ook bijna inmiddels een voorwaarde is om echt goed geld te verdienen. Ik denk dat de consument heel goed het verschil begrijpt tussen iemand die het voor het geld doet of voor de inhoud. Als jij naar de bakker gaat en dat is een bakker die van z’n brood houdt. Een ambachtsman die mooi brood heeft liggen en het ruikt erg lekker. Dan merk je gewoon dat die vent gek is van z’n brood, dat zie je en dan koop je ook liever daar je brood ook al is het duurder dan bij een koekenbakker die alleen maar wit, vies en vunzig brood verkoopt. Want dat is het equivalent ervan. En dat is wel iets nieuws vind ik. Dat je de dingen doet, omdat je datgene wat je doet belangrijk vindt. Het uitgangspunt moet zijn om kwaliteit te bereiken, om daar jezelf in te blijven en iets te doen waar je in gelooft. Je moet natuurlijk wel iets doen waar vraag naar is, maar ik geloof dat het essentieel is dat het om het brood gaat.

Wat is er voor nodig om goed brood te maken?
Je moet wel weten hoe de wereld in elkaar zit. Je kunt nog zo’n goed brood bakken, maar als je op zolder zit en je laat het nooit aan iemand zien, dan verkoop je het niet. En dat heeft ook lang niet iedereen. Dus 95% valt al af. En ik heb het idee dat communicatie steeds belangrijker wordt. Dat je goed moet kunnen vertellen waar het over gaat. Dat zie je ook: mensen die succesvol zijn, zijn bijna altijd communicatief vaardig. Zowel naar buiten, naar de pers, over het idee of naar hun omgeving. Maar ook naar binnen om hun ideeën goed vertaald te krijgen naar het personeel en het bedrijf zelf. Dus het gaat eigenlijk twee kanten op. Communicatie is wel van essentieel belang. Dat kun je ook bijna niet vervangen. Als je een klein bedrijf hebt, kun je niet zeggen: ik neem iemand voor de communicatie. Als je een groot bedrijf hebt, kan dat wel. En de visie is bij een groot bedrijf trouwens ook van belang. Visie is ook een stuk echtheid. Als je een goede visie hebt en je zet dat op schrift of je vertelt erover dan kunnen andere mensen dat ook vertellen. Als het een “kont”verhaal is dan kan niemand het vertellen. Daar geldt toch ook wel weer dat hetgeen dat je bedenkt of vertelt ook echt zo is en voor iedereen te begrijpen is. Dus je verhaal moet kloppen, echt zijn en vanzelfsprekend.

Wat is het kenmerk van Piet Hein Eek?
Het meest kenmerkende is dat alles uitlegbaar is. De transparantie van het bedrijf, het ontwerp van eigenlijk alle aspecten. Het is gewoon allemaal zo simpel als het lijkt. Dat kan ook niet anders want zodra je ingewikkeld gaat doen dan prijs je jezelf uit de markt. Maar een heel pragmatische manier van werken en heel erg het zoeken naar praktische oplossingen. Dat is wel de kern van het bedrijf. En dat sluit ook aan bij mij als persoon, om het niet al te ingewikkeld te maken. En dan is het al heel ingewikkeld.

Het complete interview vind je op eggofcolumbus.net. Ook vind je hier interviews met andere denkers, zoals: Erik Kessels, Frank Tjepkema, Daan Roosegaarde, Rob Wagemans, Jan Jansen, Erwin Olaf en Joep van Lieshout. Ook vind je hier de methode tot een goed concept, registreer je en je kunt meelezen, de methode testen en je ervaringen delen! Lees hier het complete interview.

 

Posted in Concepten onder de loep, Disruptief, Dutchlabel, Innovatie, Methode conceptdenken | Tagged , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

‘Kunst geeft geen antwoorden. Kunst stelt kritische vragen.’

Schermafbeelding 2015-11-09 om 16.44.52We hebben intuïtief conceptdenker, Joep van Lieshout gevraagd naar zijn werkwijze om tot een goed concept te komen. Deze week is het interview met Joep op Het ei van Columbus geplaatst. Het werk van Joep verhoudt zich tussen autonome kunst, design en architectuur. Veel van zijn werk gaat over politiek en macht, over leven en dood en over de keuzes die mensen maken. Zijn werk pakt toeschouwers bij de lurven en drukt hen met de neus op de vaak pijnlijke feiten. Wil je weten wat Joep beweegt, lees dan onderstaand artikel.

Hoe komt het dat Nederlandse ontwerpers conceptueler zijn dan buitenlandse ontwerpers?
‘Volgens mij zijn ze niet conceptueler maar proberen ze vooral grappiger te zijn. De Design Academie is heel conceptueel maar ook heel grappig, er is altijd iets leuks aan, iets luchtigs, iets wat anders is of iets nieuws. Ik denk dat design wel conceptueel is, maar ook ludiek. Het is een gimmick. Je hebt een product waar een verhaaltje bij zit dat ook goed is te vermarkten. Bij conceptdenken denk ik veel meer aan het hebben van een filosofie en overtuiging. Een concept heeft te maken met een idee en een strategie. Nederlands design zou ik eerder als gewiekst, kritisch of met een boodschap typeren en die boodschap zit erachter omdat het verkoopt.’

Bij jou zit die verkoopgedachte er helemaal niet achter.
‘Ik ben geen ontwerper, maar een kunstenaar. Ontwerpers maken iets onder andere omdat iemand anders dat wil, maar een kunstenaar doet dat niet. In mijn werk zitten ook boodschappen, maar dat zijn er zoveel en die zijn zo tegenstrijdig dat je er eigenlijk niets meer van snapt. Mensen moeten bij mijn werken zelf maar kijken welke boodschap ze eruit willen halen. Als je zegt het gaat over vrijheid, vrijheid van ethiek en moraal, dan is het vrijheid. Mijn werk gaat over duurzaamheid, wegwerpcultuur, heroïsme, balans tussen arbeid en materiaal, monumenten voor religie, vervuiling, machtsstructuren, een nieuwe industriële revolutie, religie en gevangenissen. Daarbij gaat het ook over de positie van het individu in de samenleving en de normen en waarden in die samenleving. Die staan allemaal tegenover elkaar. Wat ik maak is een combinatie van waar ik zin in heb en wat mogelijk is. Ik bedenk ongeveer honderd keer meer dan ik kan uitvoeren, daarom kan ik ook kiezen wat ik uitvoer. Intuïtie iets waar ik op drijf, verder is passie heel belangrijk. Natuurlijk hou ik er wel rekening mee of het verkoopbaar is. Er zijn heel veel zaken die meespelen, soms maak ik dingen die geen hond wil hebben, maar soms moet ik ook dingen maken die verkopen. Maar alle keuzes worden intuïtief genomen. Kunst geeft ook geen antwoorden, kunst stelt kritische vragen.’

Heb je wel bepaalde doelen die je probeert te bereiken met jouw werk?
‘Ik maak dingen altijd intuïtief. Het gebeurt wel dat dingen vaker terugkomen omdat ik er geïnteresseerd in ben, zoals organen, fabrieken of landbouw en veeteelt. Dat laatste heeft een post apocalyptische kant en daarbij ben ik gek op openluchtmusea, dus vind ik het leuk om dingen die daarmee te maken hebben te bouwen. Ik zie ook een koppeling tussen de industriële en de veeteelt, alles wordt weggemoffeld en mensen willen alleen de mooie dingen nog zien. De echte ambacht gaat weg uit Nederland, we willen onze handen daar niet meer vuil aan maken. Ik wil met name de zware industrie weer terugbrengen om te laten zien dat alles wat er is, niet vanzelfsprekend is. Dat is ook waar ik door geïnspireerd ben geraakt voor “Het Nieuwe Labyrint der Stammen”.’

Hoe komt een installatie of werk van jou tot stand?
‘Ik maak iedere dag heel veel tekeningen, een aantal daarvan scan ik in en een aantal gooi ik weg. Zoals ik al zei heb ik elke dag veel ideeën, zoveel dat ik ze niet allemaal kan uitvoeren. De keuze of ik mijn schetsen ga scannen of niet en of ik mijn ideeën ga uitwerken of niet maak ik intuïtief en dat wil ik graag zo houden. Ik word erg geïnspireerd door fabrieken. Ik kom regelmatig in het Ruhrgebied, daar heb je veel oude fabrieken staan en die hebben mij bijvoorbeeld geïnspireerd voor de installatie van de Technocrat. De sfeer die daar hangt is heel bijzonder.’

Voor het complete interview met Joep en andere denkers als: Frank Tjepkema, Daan Roosegaarde, Rob Wagemans, Erik Kessels, Jan Jansen en Erwin Olaf word je lid van Het ei van Columbus. Het boek met de methode om tot een goed concept te komen! Word lid en je kunt meelezen, de methode testen en je ervaringen delen! Lees hier het volledige interview.

Posted in Boeken/artikelen, Brainstorm, Disruptief, Fenomenale concepten, Innovatie, Methode conceptdenken, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

“Je moet een ploeteraar zijn en onzeker blijven”

550-self-portrait-erwin-olafErwin Olaf, conceptueel fotograaf, is geïnterviewd voor het boek “Het ei van Columbus” en we hebben hem als conceptdenker gevraagd naar zijn werkwijze om tot een goed concept te komen. Erwin Olaf werd geboren in Hilversum, volgde de school voor Journalistiek en richtte zich na zijn afstuderen op fotografie. Zijn handelsmerk is, het aanpakken van maatschappelijke vraagstukken, taboes en burgerlijke conventies in een gestileerde omgeving, met prachtige scenario’s en een vlijmscherpe, conceptuele beeldspraak. Wil je weten wat zijn methode is, lees dan onderstaand artikel.

Waar komt je drive vandaan?
‘Ik denk vanuit een burgerlijke energie waarin je niet stil mag zitten. Andere fotografen hebben ook energie, maar bij mij is het anders. Ik ben al wat ouder. Ik behoor tot de “top of the wave” generatie. Nu heb je een miljoen fotografen, maar toen ik begon had je er vijfhonderd, of vijfduizend. Je moet talent hebben en tegelijkertijd boekhouder zijn. Je moet op tijd leven. Je kunt heel hip doen, er heel geweldig uitzien en een heel mooi glad praatje hebben, maar er moet ook gewoon goed werk geleverd worden. Aan een deadline hangt een bepaalde kwaliteit, die kwaliteit gecombineerd met het talent dat je hebt. Er zijn veel mensen met talent, maar je moet ook kunnen doorzetten. Op de eerste drie filmrolletjes die ik heb geschoten zaten denk ik tien goede foto’s. Daarna krijg je twee jaar meuk. Het werk was wel oké, maar het is werk dat je na vijf jaar zo in de prullenbak kan gooien.’

Jij zegt dus dat je moet doorzetten?
‘Dat zou je moeten doen, ja. Ik denk daarnaast ook dat je onzeker moet zijn. Je ziet zoveel mensen die getalenteerd zijn maar die zichzelf zó goed vinden. Op een gegeven moment krijg je dan ijdelheid voorgeschoteld. De laatste twee jaar heb ik wel wat zelfverzekerdheid gekregen, ook na de Johannes van Eer prijs. Maar nu word ik weer onzeker. Dan denk ik: “Ik moet niet te veel op mijn aura gaan rusten”. Mensen gaan dan van alles van je verwachten. Ik heb altijd het idee gehad dat ik veel weerstand opriep, vooral aan het begin. Dat komt ook van “top of the wave”, de tijd van de punk en de kraakbewegingen. Ik zat er nooit middenin, maar stond altijd aan de zijlijn. Ik was wel op de feestjes en heb ook half gekraakt, maar het gezag kwam daartussen. Ik vind het gedrag van het gezag (overheid en politie) zeer aanvaardbaar, maar heb me er toch tegen verzet. Het was toen toch in de mode, je wilde erbij horen. Na de seksuele revolutie kreeg je dan vrijheidsgevoelens. Veel mensen durven dat niet, omdat ze bang zijn dat het wordt afgekraakt. Mijn werk wordt altijd wel door een kleine groep van meet af aan goed gevonden. Ik ben begonnen als vrijwilliger van het COC. Het COC had een behoorlijk sterk verenigingsblad, CEC, en dat werd echt door veel mensen gelezen. Daardoor kreeg ik al heel snel erkenning. Zo ging ik voor andere alternatieve blaadjes werken en verdiende ik wat geld, wat ook een hele grote vorm van erkenning is.‘

Waar komt die passie vandaan?
‘Het is eigenlijk meer dat ik mij snel verveel. Ik moet zeggen dat ik werkeloos was. Het was begin jaren ‘80 en er was een enorme werkeloosheid. Ik kwam toen net van de School van Journalistiek af en was een bijzonder matig getalenteerde journalist. Ik had geen werk, tot groot verdriet van mijn ouders, maar ook van mijzelf. Terwijl het eigenlijk helemaal niet zo erg werd gevonden, omdat zoveel mensen werkloos waren. Ik heb me daar zelf altijd heel erg ongelukkig over gevoeld. Dat komt misschien ook door het gezin waar ik uit kom, want mijn ouders vonden het echt heel erg dat ik geen werk had.’

Kreeg je daarom die drive?
‘Ja, ik had gewoon die energie. Je moet niet alleen de boekhouder zijn die getalenteerd is, maar je moet ook een beetje dom zijn, een beetje een plaat voor je kop hebben. Soms moet het zo zijn dat je niet hoort dat er kritiek is, dat je niet door hebt dat mensen je stukken niet mooi vinden of dat je niet in de smaak valt. Je moet een soort dolle stier zijn, een soort drive hebben die je niet echt kunt benoemen.’

Hoe kwam je op het idee dat je meer een verhaal wilde vertellen?
‘Hans van Manen is daarin echt belangrijk geweest. Er zijn altijd personen in je leven die je een kans geven. Mijn oud-leraar, Dirk van der Spek, heeft mij aan het fotograferen gekregen. Hij is later uitgever geworden en vroeg aan mij of ik niet een boek wilde maken. Ik had toen al een klein boekje gemaakt, genaamd “Stadstoezicht”, dankzij Guus Luistens, die mij dan weer had gezien in het weekblad Panorama. Ik zei toen tegen Dirk van der Spek dat ik helemaal niet zo veel foto’s had voor een boek. In die week lag ik op een avond in bed te luisteren naar een radioprogramma waarin iemand heel bevlogen over schaken vertelde. Het was een “oorlogsspel”. Ik dacht: “Een oorlogsspel met 32 stukken?” Daar heb ik toen dus mijn eerste twee proeffoto’s over gemaakt.

Je hoort dingen en je combineert ze. Dat is een gave.
‘Mensen zeggen ook wel eens tegen mij dat ik alles op gehoor doe. Misschien is dat het talent, of die drive. Je hebt zoveel mensen met ideeën, maar ga het maar eens doen. Het uitvoeren is het moeilijkste, want dan gaat het handwerk gebeuren. Als het dan niet goed is uitgevoerd, ga het dan nog maar eens een keer doen. Het is nooit erg om een foto over te maken.’

Waarom is die drive van jou zo sterk om dat conceptmatige met dat verhaal te doen?
‘Ik heb dat met het project “Chessmen” gehad. Terugkijkend waren dat misschien te veel foto’s, maar ik kon daarmee wel een wereld creëren en jou als kijker meenemen in de wereld van dat moment. Ik werd daarin erg geïnspireerd door Joel-Peter Witkin. Als je denkt dat je iedere keer een uniek concept moet hebben, verschiet je enorm veel kruit. Je kunt beter je kruit een beetje droog houden, dus door een idee gedetailleerd uit te werken in verschillende foto’s.’

Hoe begin je zoiets en hoe ga je dan te werk?
‘Het is nu anders dan in 1988, nu gaat het gewoon. Ik was laatst bijvoorbeeld in Frankrijk en zag daar een opblaasdier in het zwembad liggen. Binnen drie seconden had ik het idee. Dit komt niet alleen door ervaring, maar ook omdat ik budgettair kan denken, omdat ik het zelf wil betalen. Ik weet ongeveer hoeveel ik uit kan geven. Ik ga het niet laten ‘sneeuwen’ zal ik maar zeggen. Dan ga ik naar de studio en dan gaan we het over het dier in het water hebben.’

Je foto’s lijken erg op schilderijen. Heb je daar een passie voor?
‘Ik haal veel inspiratie uit kunst. Ik ga vaak naar tentoonstellingen kijken. Als ik op vakantie ben of als er iets is, ga ik er vaak naartoe. Ik ga liever naar een museum dan naar een dierentuin. Maar ze lijken er ook weer niet echt op. Met Photoshop kan je kleine irritaties weghalen, maar ik ga er toch niet helemaal overheen. Ik vind licht het belangrijkst. 90% van de ideeën valt of staat met de uitwerking. In fotografie heeft uitwerking vaak als standpunt om kleuring en licht te maken, dat zijn de grondvoorwaarden. Als je kijk naar Rembrandt, die heeft ook schilderijen die helemaal donker zijn. Dus ik vind dat dat in foto’s ook kan.’

Waar raak je nog meer door geïnspireerd?
‘Door film, dat kan van alles zijn. Vroeger werd ik heel veel geïnspireerd door de Italiaanse Cinema. Ik vind Tim Burten heel erg interessant, maar dat geeft niet gelijk inspiratie, dat entertaint me alleen heel erg. Daarnaast vind ik schilderijen van Rembrandt, Rubens of een bezoek aan het Louvre fantastisch. Dat kan mij heel erg inspireren. Richard Avedon en Mapplethorpe zijn de absolute top. Dan denk ik, dat is het, daar wil ik graag komen. Mijn inspiratie ligt het meest bij de schilderkunst. Als ik bloemen zie, of een Vermeer. En om even Nederlandse schilders te noemen zoals Dick Ket en Jan Mankens, dat zijn echte Hollanders. Zij zijn heel goed in het schilderen van mensen in een grote simpelheid.’

Voor het volledige interview met Erwin en andere denkers als: Frank Tjepkema, Daan Roosegaarde, Rob Wagemans, Erik Kessels en Jan Jansen word je lid van Het ei van Columbus. Hier vind je de methode om tot een goed concept te komen! Registreer en je kunt meelezen, de methode testen en je ervaringen delen! Lees hier het complete interview!

Posted in Boeken/artikelen, Brainstorm, Disruptief, Dutchlabel, Fenomenale concepten, Innovatie, Methode conceptdenken | Tagged , , , , , , , , , , | Leave a comment

“Buiten de leest gaan doet niemand”

Schermafbeelding 2015-10-12 om 11.28.14
Jan Jansen is geïnterviewd voor het boek “Het ei van Columbus”, en we hebben hem als conceptdenker gevraagd naar zijn werkwijze om tot een goed concept te komen.
Wil je weten wat zijn methode is, lees dan onderstaand artikel.

Waar begin je mee?
Ik begin met het tekenen van een leest waarop ik op dat moment geïnspireerd raak. Ik pak de leest en ga daar drie modellen op tekenen. Je moet op schoenen kunnen lopen. Hoe hoog of hoe laag ze ook zijn. Ik probeer ze zo comfortabel mogelijk te maken. Dat is mijn uitgangspunt. Zelfs deze schoen met hoge hakken. Hier zit echt schuim in. Mensen die daarop hebben gelopen, zeggen dat het geweldig zit voor zo’n hoge hak. Ik wil een vrouw zoveel mogelijk behagen. Ik begin bij de leest en een hak. Dus ik maak eerst een leest met het onderwerk. Dat noemen ze de constructie. Daarbovenop komen de patronen, dan wordt de schoen gesneden, gestikt en gemaakt uit afvalleer. Ik laat hem dan door drie voeten passen. Een op Tonny, mijn vrouw, op haar zuster en op een vertegenwoordigster die wij hebben. Die hebben alle drie maat 38. Als ik een nieuwe leest heb kan ik corrigeren. Nieuwe prototypes maken, weer passen en vragen of ze goed passen. We doen het zo want het kan niet voor iedereen goed zijn. Alle voeten zijn verschillend.

Ik ontwikkel zo’n 10 leesten. De research doe ik samen met Tonny. Ik ga rondkijken op beurzen welke leersoorten er zijn. Dan ga ik nadenken over de modellen. Ik maak overzichten met modellen en dan worden de kleurcombinaties erbij ingeschreven. Nummer 1 is rood, nummer 2 is groen.

Hoeveel kleurmodellen ontwikkel je?
80 tot 100, dan wordt er geselecteerd en komen we uit op een stuk of 60. Dat doe ik in mijn eentje. Ik heb dat mijn leven lang 50 jaar alleen gedaan. Er is nu een assistente bij, die ben ik aan het inwerken en die komt er langzamerhand bij. Zij heeft nu enkele modellen gemaakt. Maar ik heb het tot nu toe alleen gedaan.

Waar komen de ideeën vandaan?
Die komen uit de kosmos. Ik sta ’s morgens op en dan denk ik: ik ga nou eens even hoge hakken maken. Maar hoger dan gister, of nog lekkerder, of nog mooier of nog sexier. Het is silhouetten, leesten en hakken maken. Dan komen nieuwe silhouetten tevoorschijn. Wat mij het meest inspireert zijn vrouwengesprekken. Als iemand bijvoorbeeld zeg dat hij morgen naar Miami gaat met vakantie, dan denk ik: wat doe je dan aan? Wat voor schoenen neem je mee? Dan teken ik daar wat voor in mijn volgende collectie.

Hoe komt een schoen tot stand?
Ik heb er veel aan gehad dat ik schoenenmaker ben geweest. Ik heb schoenen met de hand leren maken in Rome. Dat heb ik tegen wil en dank gedaan, omdat ze mijn ontwerpen gingen veranderen toen ik stage liep in een Nederlandse fabriek. Toen dacht ik: “Als jullie het niet willen maken zoals ik het wil, dan ga ik het zelf doen.” Dat heb ik gedaan. Dus ik wilde eigenlijk helemaal niet zelf schoenen maken. Ik had veel liever dat een schoenmaker mijn ontwerpen zou uitvoeren. Die vond ik niet, daarom ben ik het noodgedwongen zelf gaan doen. Ik heb alles geleerd: snijden, stikken, patronen maken, hakken maken, leesten maken. Ik kan alles. Ik kan een hele schoen maken.

Ik heb heel erg veel profijt gehad van het feit dat ik technisch geschoold ben. Daardoor kan ik alles maken wat ik wil. Veel schoenen passen bijvoorbeeld niet perfect. Ze zitten te smal of te breed. Toen heb ik de “Tutti Piedi” schoen bedacht, daar kan elke voet in. Als je hele smalle voeten hebt dan trek je het bij elkaar en als je brede voeten hebt dan staat de schoen een stuk open.

Waar komt de liefde voor schoenen vandaan?
Ik ben katholiek opgevoed. Op mijn zesde deed ik mijn communie en kreeg ik op mijn verjaardag twee paar schoenen van mijn vader. Één paar witte kalfsleren schoenen en één paar zwarte lakschoenen. Een paar was voor in de kerk en de ander voor het diner. Ik vond die schoenen verschrikkelijk. Die waren keihard en niet te buigen. Ik zei toen al tegen mijn vader, waarom maken jullie ze niet wat soepeler? Wat leuker? Want mijn vader was verkoper van schoenen. Toen zei mijn vader: “Een kind wordt zo geboren en daar wordt niet aan gesleuteld. Die leest is goed zo en als jij daar later iets aan wil doen, dan moet je dat maar doen voor damesschoenen. Daar zit mode in en niet in kinderschoenen.” Ik heb een fantastische jeugd gehad en mijn vader heeft mij ontzettend gestimuleerd. Hij heeft stageplaatsen voor me gezocht. Zo ben ik er in gerold.

Hoe komt het dat jouw schoenen anders zijn dan het aanbod in de winkels?
De meeste fabrikanten en importeurs kijken naar marketingrapporten en trends. Ik ben daar wars van. Ik maak wat ik leuk vind. En ik vind het niet erg om op mijn bek te gaan. Ik heb niets te verliezen, want ik heb een heel klein bedrijfje. Stel je voor dat je Prada of Gucci bent en je gaat de hele collectie doen met bamboezolen, zonder enkele trendindicatie. Dat is een veel te groot risico. Ik neem die risico’s wel. Gaat het niet, pech gehad. Doe ik weer wat anders.

Wat was je drive?
Meer het functionele denk ik, het lekker zitten van schoenen. En dan leuk. Zo leuk mogelijk en dan zo lekker mogelijk zitten. Vroeger zeiden ze: als je mooi wil zijn moet je pijn leiden. Ik had een keer een van die sterren als klant. “Die schoen met die allerhoogste hak die neem ik”, schreeuwde ze. “Ik zeg moet je ze niet eerst even proberen?” “Nee”, zei ze, dus ik vroeg: “Hoe weet je dan dat ze lekker zitten?” “Nou dat kan me niet schelen. Ik neem altijd twee paracetamolletjes voordat ik uitga.” Dat had ik nog nooit gehoord. Dat zou ik niet doen.

Heb je ook een bepaalde inspiratiebron?
Ja, Dali. Knettergek was hij. Die heeft ook dingen gemaakt die nooit iemand anders heeft gedaan. Een sieraad van een hart dat klopt. Fenomenaal. Die vent was zo goed. De lippenschoen die ik heb gemaakt is geïnspireerd door de lippenbank van May West die Dali heeft gemaakt. Dat vind ik fantastisch bedacht van hem, hoe kom je erop.

Wie inspireert jou nog meer?
Swip Stolk, omdat hij een geweldig inzicht heeft. Hij is grafisch ontwerper en heeft al mijn logo’s gemaakt. En ook mijn winkels ingericht. Toen ik in 2001 een tentoonstelling in Den Haag had, heeft hij dat zo ingericht dat hij zei: “Ik heb één vitrine en daar komt één schoen in”. Ik was het daar in eerste instantie niet mee eens, omdat ik vijf paar schoenen had die als een setje bij elkaar hoorde. Achteraf heeft hij helemaal gelijk gehad.

Het complete interview vind je op heteivancolumbus.net. Ook vind je hier interviews met andere denkers, zoals: Erik Kessels, Frank Tjepkema, Daan Roosegraade en Rob Wagemans. Nieuwsgierig naar de beste methode tot een goed concept? Schrijf je in op het forum, lees mee, test de methode en deel je ervaringen! Lees hier het complete interview.

 

 

 

 

Posted in Boeken/artikelen, Dutchlabel, Fenomenale concepten, Innovatie, Methode conceptdenken | Tagged , , , , , , , , , , | Leave a comment

“Een georganiseerde chaos in je hoofd”

Schermafbeelding 2015-10-02 om 15.35.29
Erik Kessels (1966) is medeoprichter en creatief directeur van het Amsterdamse communicatiebureau KesselsKramer. Erik vertelt in Het ei van Columbus over wat conceptdenken volgens hem inhoudt. Hij geeft inzicht in zijn proces van het komen tot een goed concept.

Wat is een concept?
“Een concept is een idee. Niet meer dan dat. Maar een idee kun je natuurlijk op verschillende niveaus hebben. Je kan ook een idee hebben over hoe je op vakantie wil. Maar binnen werk is het idee meestal hetgeen wat ontstaat uit een briefing. Ik denk dat ook een van de krachten bij het maken van goede ideeën is om invloeden van buitenaf en andere dingen erin te betrekken. Het concept is niet alleen het begin, maar aanwezig tot het einde. Want als je een idee bedenkt en er sneuvelen onderweg allerlei dingen, dan hou je ook niet een heel sterk concept over.”

Hoe kom je tot een goed concept?
“Het is heel belangrijk dat je een bepaalde vrijheid van denken hebt. Of risico’s in je hoofd durft te nemen. Een soort vrijheid van denken, waardoor je zijstraten durft te nemen. Iedereen heeft wel ideeën. Maar om dat professioneel te doen, dan moet je risico’s durven te nemen. Een goed concept is dan altijd een beetje uit het ritme. Als ik er zelf van schrik en er een beetje ongemakkelijk van wordt.”

Wat is de methode?
“Er is geen specifieke methode of bepaalde manier om tot een goed concept te komen. Aan de ene kant is het de inventiviteit, aan de andere kant is het ook een soort drang om het heel anders te doen. Bij elke opdracht verandert de aanpak weer. Dat is ook het leuke van een concept maken. Het is een soort spel. Je kunt het telkens weer opnieuw invullen, er is geen methode, er is geen manier om het te doen.”

Er zit toch een bepaald proces in jullie manier van werken?
“Tuurlijk, maar dat heeft te maken met een vast team dat al jaren met elkaar werkt en iedereen heeft een eigen manier van werken. Eigenlijk komen we al meteen met een groepje van drie bij elkaar of onafhankelijk van elkaar. Daar zitten ook creatieven bij. Die bedenken ook de strategie. Het is niet zo van loket naar loket, maar soms wordt er wel afgesproken: doe jij dit dan gaan wij alvast hier mee bezig.”

Maar er zal zeker wel een bepaalde manier van werken zijn.
“Een manier van werken is ook een beetje een georganiseerde chaos in je hoofd. Ik heb me vroeger soms heel ongelukkig gevoeld toen ik nog bij een reclamebureau werkte. Dan dacht ik, dit is het gewoon niet. Je zit tegenover iemand, krijgt een opdracht, dan heb je een wit vel papier voor je, de sfeer is niet goed, dodelijk is het.”

Hoe vind je nieuwe kansen?
“We kijken naar wat anderen doen. Wat is nog braakliggend terrein? Daar ga je dan op zitten.. dat is een strategische richting die je kiest. Als we het gebied hebben, gaan we daar op werken om dat zo goed mogelijk duidelijk te maken.”

Een voorbeeld hiervan is het concept voor Audi. “Nou, we hebben een keer voor Audi gewerkt. En elke keer als er een auto werd verkocht, kreeg de klant een schouderklopje, maar daarna was het eigenlijk afgelopen met het contact. Dan volgt er alleen nog maar een servicebeurt. Dus wij dachten, laten we het eens helemaal omdraaien. De TV commercials begonnen met: ‘Beste Audi-rijder’. Wij hebben de advertenties volledig gewijd aan Audi-rijders, omdat je daarmee meer betrokkenheid en een soort community creëert. Dan is de servicebeurt pas echt compleet. En de BMW-rijders gaan nadenken… heb ik iets gemist?”

“We hadden een keer een pitch voor Bavaria. 63% van het bier dat zij verkopen, verkopen ze in Brabant. Dus we kwamen met het idee om de rest van Nederland ook te bevoorraden. We kregen 4000 euro voor de pitch. Daar hebben we kratten Bavaria bier voor gekocht. Die hebben we in een blauwe bus gegooid er Bavaria op geplakt en zijn toen naar het kleinste dorp van Nederland gereden, met zo’n driehonderd inwoners. We zijn middenin het dorp gestopt en hebben bij iedereen aangebeld en iedereen zo’n krat Bavaria gegeven. Daar hebben we een filmpje van gemaakt. We hebben de pitch toen ook nog gewonnen.”

Het is voor een klant hartstikke inspirerend om met jullie te werken. 
“We merken dat opdrachtgevers zich prettig voelen bij de sfeer hier. Tijdens de eerste meeting dragen ze nog een stropdas volgens het protocol. Bij de tweede of derde meeting zien ze er al totaal anders uit.”

Door welke conceptdenkers word jij geïnspireerd?
“Andy Warhol, George Loïs, die laatste is eigenlijk een hele klassieke reclameman en een rebels figuur. Wat ik bij hem interessant vond, is dat hij naast zijn werk als reclamemaker ook veel Esquire covers maakte met Marilyn Monroe die zich scheert of Mohammed Ali met pijlen in zijn buik. Of de Hongaar Tibor Kahlman. Die werkte in New York, maakte advertenties, maar ook producten. Hij heeft de eerste nummers van Colors gemaakt.

Tibor Kahlman heeft ook een heel interessant boek. Dat heet Tibor. En George Loïs heeft ook een heel goed boek dat heet ‘The Art of Advertising’. En Andy Warhol heeft ook een heel goed boek, dat heet ‘A’. Dat is al een geweldig concept. Andy Warhol komt ook uit de reclame, hij was gewoon reclametekenaar. Maar het is uiteindelijk wel interessant als je ziet hoeveel verschillende dingen hij heeft gedaan. Hij runde een club, maar hij had ook een platenlabel en hij maakte heel veel films. Mensen kennen Andy Warhol alleen van de Marilyn Monroe collages. Voor die tijd was dat vrij baanbrekend.”

En Nederlandse conceptdenkers?
“Er zijn er heel veel, maar ik denk dat de beste en meest ondergewaardeerde conceptdenker Wim T Schippers is. Mensen kennen hem wel, maar ik vind echt heel boeiend wat ie allemaal heeft gedaan. Heel breed; van inspreken bij Sesamstraat tot TV presentator en kunstenaar. Hij heeft nu ook een hele grote tentoonstelling in Rotterdam. Daar heeft ie een vloer met pindakaas besmeurd. Dat soort dingen.”

Op Het ei van Columbus vind je het volledige interview met Erik en andere denkers als: Frank Tjepkema, Daan Roosegaarde en Rob Wagemans. Ook vind je hier de methode tot een goed concept, registreer je en je kunt meelezen, de methode testen en je ervaringen delen! Lees hier het complete interview.

 

 

Posted in Boeken/artikelen, Disruptief, Dutchlabel, Fenomenale concepten, Innovatie, Methode conceptdenken | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

‘A cup of concept': innoveren met disruptief denken

Schermafbeelding 2015-09-09 om 15.41.12
Als gevolg van de economische crisis zoeken veel bedrijven nieuwe markten of moeten vernieuwen om het hoofd boven water te houden. Maar als de financiële middelen op dreigen te raken is men niet snel geneigd een nieuw pad in te slaan, laat staan om over vernieuwing na te denken.

Vooral voor grote bedrijven is het moeilijk om te innoveren. Alles in de fabriek is op elkaar afgestemd, zodat wijzigingen niet of nauwelijks doorgevoerd kunnen worden. Dutchlabel is gespecialiseerd in conceptdenken oftewel out of the box. Met concept-denken kun je je bedrijf innoveren door te kijken naar megatrends, latente behoeften van doelgroepen, relevante maatschappelijke issues en het DNA van je bedrijf daaraan koppelen, zodat je weer waarde gaat toevoegen aan de samenleving.

Onbetaalbare zorg

Stel je bent een producent van levensmiddelen. De trend is meer behoefte aan puur en gezond voedsel en minder behoefte aan kant en klare producten met toevoegingen die minder gezond zijn. Als je ook weet dat de Nederlandse economie jaarlijks gemiddeld met 1 procent groeit en de zorgkosten met 4 procent en de zorg dus over een aantal jaren onbetaalbaar wordt, dan weet je dat hier een groeimarkt ligt. Bij de kassa in de super-markt liggen vaak aanbiedingen die we wel kopen maar niet nodig hebben. Van de meeste merken zijn er niet één of twee, maar liggen er wel acht producten in het schap. Bijna hetzelfde, maar met een ander smaakje. Veel en meer, maar niet meer toegevoegde waarde voor ons als mens. Waarom zouden we het niet omdraaien? Als we disruptief denken toepassen, dan scannen we voortaan niet de producten, maar de mensen die binnenkomen. Wat hebben we echt nodig als mens? Welke vitaminen en mineralen ontbreken er in ons lichaam? Dat is bij elk mens anders. Uit onderzoek blijkt dat je bij een vitamine- of mineralentekort gewoon door blijft functioneren, maar over tientallen jaren krijg je ineens een ernstige ziekte. Dat had voorkomen kunnen worden door er nu iets aan te doen. Helemaal met het oog op de onbetaalbare zorg is nú het moment om actie te ondernemen. Waarom is er geen scan bij de supermarkt die scant of je een tekort hebt aan vitamine C of ijzer? Dan kun je direct doorlopen naar de sinaasappelen of een biefstuk halen. Dat is toegevoegde waarde bieden en iets betekenen voor de samenleving waar iedereen iets aan heeft.

Voetballen voor licht

Een voetbalproducent zou bijvoorbeeld voetballen kunnen ontwikkelen die zichzelf opladen tijdens het voetballen. Kinderen in ontwikkelingslanden kunnen dan de hele dag lekker buiten voetballen en ‘s avonds steken ze een lamp in de voetbal en kunnen ze hun huiswerk maken, zelfs als er verder geen elektriciteit is. Dat bedoelen we met het leveren van toegevoegde waarde.

A cup of concept

Dutchlabel gaat brainstormsessies organiseren met out of the box-denkers en zorgt ervoor dat bedrijven verder kunnen groeien en weer echt onderscheidend zijn en betekenis geven aan de samenleving. Eén van de thema’s die opgepakt wordt is De zorg betaalbaar maken. Er worden internationale retailers, zorgverzekeraars, technische bedrijven, universiteiten en andere zorgleveranciers aan elkaar en aan disruptieve denkers gekoppeld om gezamenlijk innovatieve concepten te ontwikkelen. De deelnemende bedrijven mogen gebruik maken van de ontwikkelde concepten. Een bedrijf kan zelf ook een ander vraagstuk indienen waar de disruptieve denkers oplossingen voor kunnen bedenken.

Doe mee, innoveer je bedrijf en voeg betekenis toe. Kijk voor meer informatie op www.acupofconcept.com en schrijf je daar meteen in of stuur een mailtje: info@acupofconcept.com

 

Posted in A cup of concept, Brainstorm, Disruptief, Dutchlabel, Gezondheidszorg, Innovatie, Trends, Zorg, Zorgkosten | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

Het Stop Food Waste symposium en de oplossingen

Eerder was op ons blog te lezen dat wij een denktank hebben opgericht met geniale conceptdenkers als: Edward de Bono, Daan Roosegaarde, Lidewij Edelkoort, Joep van Lieshout, Erik Kessels, Frank Tjepkema, Raoul Heertje en Wim Michels. Met de denktank organiseren we brainstormsessies om ingewikkelde maatschappelijke vraagstukken op te lossen.

Onze missie is namelijk: ‘de wereld verbeteren met een andere manier van denken.’ Omdat dat nogal wollig klinkt hebben we de koe bij de horens gevat en zijn we begonnen met het oplossen van wereldproblemen. NRC Next heeft 10 artikelen geplaatst met de oplossingen, deze zijn te vinden op ons platform ‘Het ei van Columbus’.

005 stopfoodwaste brainstorm 24sept2014 fotoMoniqueKooijmans

Onze volgende stap is actuele maatschappelijke problemen aanpakken en het bedrijfsleven te helpen met concrete oplossingen. De Europese Unie heeft 2014 aangewezen als het jaar tegen food waste. Daarom hebben we een symposium georganiseerd tegen voedselverspilling: het Stop Food Waste symposium. 30% van de mensen heeft namelijk honger terwijl 50% van ons voedsel uit de gehele food chain wordt weggegooid. Jaarlijks wordt 2 miljard euro aan voedsel verspild bij bedrijven en wij willen dit bedrag terugbrengen naar 0. De grootste verspilling zit in zuivel, brood, fruit en groente. Daarom zijn 10 captains of industry uitgenodigd om hun waste vraagstukken met ons te delen. De bedrijven zijn geselecteerd uit gehele food supply chain: van oogst tot transport, productie, verpakking en schapmanagement. Deelnemende bedrijven zijn: FrieslandCampina, Tetra Pak, Bake Five, Univeg, La Place, Hutten Catering en Plus supermarkt. De denktank heeft zich over de vraagstukken van de bedrijven gebogen. Er zijn 100 out-of-the-box oplossingen bedacht voor de bedrijven om de food waste terug te dringen en meer omzet te halen uit de waste.

Met het Stop Food Waste symposium hebben we een vuist gemaakt tegen voedselverspilling, maar ook aan het bedrijfsleven laten zien wat 3.0 conceptdenken betekent voor je bedrijf, namelijk winst halen uit waste. Een 3.0 concept start vanuit de ‘why’ van een organisatie, is onderscheidend, innoverend en haakt in op trends en latente behoefte van doelgroepen en geeft betekenis. 3.0 concepten leiden tot de verbetering van business modellen. En het állerbelangrijkste: een 3.0 concept voegt waarde toe aan de maatschappij.

Een greep uit de oplossingen tegen food waste:

Melkklontjes
Melkklontjes van rietsuiker leiden tot minder verkwisting met verpakkingen. In een café krijg je momenteel nog standaard een plastic melkkuipje en papieren staafje met suiker naast je koffie. Dat levert ontzettend veel afval op. Melkklontjes van rietsuiker kun je daarentegen gewoon in je koffie gooien. Ze lossen volledig op en je hebt een heerlijk bakje koffie met melk en suiker.

 melkklontjes

Pratend pak
Veel producten belanden in de prullenbak omdat ze over de datum zijn. Een pratend pak dat vertelt hoelang het product nog houdbaar is en hoeveel er nog inzit, kan verspilling voorkomen. Dat klinkt wellicht futuristisch, maar het is minder ingewikkeld dan je denkt. Vrijwel iedereen kent de muziekkaartjes wel die gaan spelen zodra je ze open klapt. Aan de zijkant van een pak melk kun je ook kleine geluidschipjes plakken.

pratend pak

Supermarkt van de toekomst
In de toekomst zal de supermarkt er heel anders uitzien dan nu als het ligt aan de denktank. Er bestaan scans die kunnen bepalen of je voldoende vitamines, mineralen, vocht en eiwitten binnenkrijgt. Uit onderzoek blijkt dat mensen die weten wat ze nodig hebben bewuster met hun voeding omgaan en minder weggooien. Wij pleiten er dan ook voor dat supermarkten, in samenwerking met zorgverzekeraars en huisartsen, gepersonaliseerde tests voor klanten aanbieden. Als consumenten daarbij ook voedingsadvies krijgen, kan de supermarkt als het ware de rol van een gezondheidscentrum invullen. Een ideale kans dus om mensen gezonder te laten leven en voedselverspilling tegen te gaan!

supermarkt

Kijk voor alle oplossingen op: stopfoodwaste.nl

Posted in Uncategorized | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Conceptdenken helpt wereldproblemen oplossen in NRC Next!

20140407_miniatuurNRC_Next artikel

Dutchlabel gaat in samenwerking met NRC Next en 10 bekende conceptdenkers wereldproblemen oplossen. De conceptdenkers geven iedere week hun creatieve oplossingen voor wereldproblemen zoals, files, armoede, milieuvervuiling en food waste. De conceptdenkers die mee doen zijn;

  • Edward de Bono
  • Daan Roosegaarde
  • Lidewij Edelkoort
  • Joep van Lieshout
  • Erik Kessels
  • Frank Tjepkema
  • Goos Geursen
  • Wim Michels
  • Rob Wagemans
  • Piet Hein Eek

Elke week zal een andere conceptdenker uit de denktank zijn oplossingen voor verschillende wereldproblemen publiceren in NRC Next. Edward de Bono trapt af. De grootmeester van het conceptdenken deed afgelopen maandag in NRC Next met zijn oplossingen voor het fileprobleem.

Het ei van Columbus
Het ei van Columbus is een online interactief platform met: ‘de beste methode om samen tot vernieuwende oplossingen te komen.’ Monique Juffermans, initiatiefnemer van de denktank en eigenaar van conceptbureau Dutchlabel in Amsterdam, bracht de 10 conceptdenkers bij elkaar. Verschillende wereldproblemen worden, in samenwerking met NRC Next, op het interactieve platform besproken en bediscussieerd. Iedereen krijgt de mogelijkheid om mee te doen.

Conceptdenken
Dutchlabel wil de wereld verbeteren door middel van een nieuwe manier van denken: conceptdenken. Conceptdenken doe je met je linker en rechter hersenhelft. Beide hersenen moeten in balans zijn en in concert met elkaar komen. Om te weten hoe conceptdenken daadwerkelijk kan helpen bij het oplossen van wereldproblemen, zullen enkele voorbeelden deze manier van denken duidelijk proberen te maken.

Conceptdenken zorgt ervoor dat we maatschappelijke oplossingen breder zien en zelf vormgeven. Een voorbeeld: Het Israel-Gaza conflict. Israel zegt: “Zij vuren raketten op ons af, dus daar wonen slechte mensen. Daar zit geen visie achter. Het is enkel een staaltje rechtlijnig zwart-wit denken, zoals de kerk in de Middeleeuwen ook deed.”  Volgens Edward de Bono, grootheid op het gebied van het lateraal- en conceptdenken, is het veel slimmer om de Gazastrook 3 biljoen dollar per jaar te geven en elke keer als ze een raket op Israël schieten, gaat er 50 miljoen dollar vanaf. Dat is design denken; het niet via de gebaande paden denken. Wetten zijn niet genoeg, want het laat ons rechtlijnig denken. Conceptdenken verandert de scène.

De uitspraken van De Bono passen in een onomkeerbare trend. Ons denken verschuift langzaam: van analytisch denken naar conceptdenken, omdat we daarmee andere delen van de hersenen activeren en creatievere oplossingen kunnen aandragen voor de ingewikkelde problemen waar de mensheid nu mee kampt.

Geen land ter wereld waar verkeersopstoppingen geen probleem zijn. Ingegeven door eigen observaties bedacht De Bono hiervoor een verrassende oplossing: een rijbewijs dat slechts enkele dagen per week geldig is. Het deeltijdrijbewijs dwingt mensen om meer en vaker samen te reizen. Ze gaan zichzelf organiseren om naar het werk te gaan of te winkelen. Een rijbewijs voor zeven dagen in de week verkrijgen is ook mogelijk, al betaal je daar wel twintigmaal de prijs van een driedaags rijbewijs voor.

Het conceptdenken is de toekomst, ons denken zal veranderen. Zo zegt Lidewij Edelkoort, voormalig directrice van Design Academy Eindhoven, wereldberoemd trendwatcher en lid van denktank, het volgende: “Ons denken zal in 2020 totaal zijn veranderd. We zijn ons ervan bewust dat het anders moet, dat we andere, creatievere oplossingen moeten bedenken voor de problemen waar we nu tegenaan lopen. Het ideaal van deze eeuw zal zijn dat we onze twee hersenhelften met elkaar verbinden. Eigenlijk is dat de opdracht die wij hebben: emoties met rationaliteit verbinden.”

Ben je benieuwd of ook jij kan conceptdenken? Op ons vernieuwde interactieve platform kan je mee doen met de oplossingen voor wereldproblemen bedenken. Doe mee aan de discussies en maak kans om zelf in NRC Next te komen.

Meer informatie over wereldproblemen oplossen in NRC Next en conceptdenken vind je op heteivancolumbus.net

Posted in Dutchlabel, Methode conceptdenken | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

“Een goed concept heeft een mindfuck”

Interview Rob Wagemans

Medeoprichter Rob Wagemans (1973) van Concrete (Architectural Associates) studeerde architectuur aan de Hogeschool van Utrecht en de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. De kans dat je nog nooit een interieur van Concrete hebt gezien is klein. Je hebt vast wel eens koffie gedronken bij de Coffee Company, geluncht bij de Bijenkorf of in de VIP-lounge op Schiphol gezeten. Allemaal interieurs van dit Amsterdams ontwerpbureau. Concrete bouwt identiteiten in de derde dimensie, waarbij details of afwijkingen worden verheven tot blikvangers zoals een boom pontificaal voor de balie van de Lairesse Apotheek. Zij werken aan concepten voor restaurants (Supperclub), hotels (CitizenM hotels) en winkels. Concrete is een multidisciplinair en internationaal opererend bureau. Achter al hun ontwerpen zit een doordacht concept.

Wat is volgens jullie een concept?
Voor ons is een concept verhaaltjes vertellen, een fairy tale, iets waar je in gelooft. Het concept is de essentie waaraan we het hele project ophangen. We kunnen een goed conceptueel uitgangspunt op verschillende manieren materialiseren, maar het concept blijft overeind staan. Het is voor ons de fundering van het ontwerp en zorgt voor persoonlijkheid en een ruimtelijke beleving.

Waarom is een concept belangrijk?
Een concept kun je goed verdedigen. Als onze klant het concept omarmt, kunnen wij elke uitspraak die we daarna doen beargumenteren. Wij vinden het heel zwak als een interieurarchitect alleen maar gaat over materialen. Het concept is dan zo dun. Als je iets mag ontwerpen waarbij alles kan, is dat hartstikke saai. Wij vinden het fijner om van het concept ons kader te maken, waarbinnen we creatief moeten zijn.

Hoe komen jullie tot een concept?
Ik denk dat ‘koken’ in dit kader een mooie metafoor is. Het concept is een soort ingekookt sausje. Een belangrijk ingrediënt is intuïtie, een tweede ingrediënt is de kennis en bagage die je in huis hebt, een derde is de wereld en de maatschappij en een laatste ingrediënt is de briefing van de klant. Als je die ingrediënten bij elkaar gooit, dan krijg je ontzettend veel mogelijkheden. Als je door blijft kokkerellen dan blijft de belangrijkste smaak overeind. En daarin zit de essentie van het ontwerp: een conceptueel verhaal.

Wat zijn de uitgangspunten voor een goed concept?
Je gaat een soort intimiteit met elkaar aan: de klant vertelt heel gevoelig wat hem zint of niet en wat hij zou willen. Meestal is een klant vrij oppervlakkig in de briefing, maar wij zijn in staat, misschien wel door onze sociale vaardigheden, de pijnpunten aan te voelen. Wij zien een project als een persoonlijkheid met karakteristieken. Waarom vind ik het ene meisje wel leuk en het andere meisje niet? Dat komt omdat zij eigenschappen heeft die een ander niet heeft. Wij zoeken in al onze klanten karaktereigenschappen die een ander niet heeft en die ze uniek maakt. Het gaat ons om authenticiteit. Het is hetzelfde als met een restaurant: je gaat niet op een Italiaans restaurant af omdat ze spaghetti verkopen. Nee, ze doen iets specifieks met die spaghetti, ze hebben iets speciaals in hun interieur of bijzonder personeel. Ons conceptuele verhaal ligt altijd in die unieke kant van een merk of product.

Hoe gaan jullie te werk om daar achter te komen?
Als wij weten dat er een trendy restaurant gemaakt is in een andere stad dan gaan we daar inspiratie opdoen. Als we in Seoul zijn voor zaken dan vliegen we ook even naar Tokyo om op de hoogte te zijn van wat daar gebeurt. Je kunt het research noemen, maar bij ons is dat gewoon nieuwsgierigheid. Als we dan met een klant in gesprek zijn en we zitten nog even met ons team na te praten, pakt iedereen zijn rugzakje met inspiraties erbij. Hier wordt iets van gekleid en zo ontstaat de fairy tale.

Waar beginnen jullie dan mee?
Soms is het een icoon, een foto of een zin. Voor ons kan dat eigenlijk al voldoende aanleiding zijn. Het is bijvoorbeeld vreemd om iets van New York in de Zwitserse bergen tegen te komen. Dit was voldoende om een regen van beelden op tafel te krijgen over hoe een bergresort vertaald kon worden naar een New Yorkse skyline.

Hoe brainstormen jullie?
Wij zijn niet zo georganiseerd. We gaan dus niet geforceerd een half uur uit elkaar om dan weer samen te komen.   We drinken na het werk soms nog een biertje, dan heb je het er nog even over of je denkt er ’s avonds thuis nog over na. Als we de keer erop elkaar weer treffen, komen die ideeën vanzelf. Het is een compleet intuïtief proces. We gebruiken veel prikborden, schetsrollen, foto’s en beeld.

Bij elke opdracht gaan jullie weer anders te werk?
Je bewandelt af en toe hetzelfde paadje, maar het wekt ergernis op als het teveel op een ander proces gaat lijken. Als je er een vast proces of een vaste theorie van maakt, wordt het een soort machine. Zo werkt de hele wereld al: je gooit er hier iets in, je draait eraan en er komt steeds hetzelfde uit. Wij willen bij elke klant een andere manier bedenken. De ene new business-klant sturen we een filmpje op, de andere een muziekstuk. We hebben een klant ooit alleen een sleutel toegestuurd met een liefdesbrief en deze daarmee verleid. Als we het gaan organiseren, zet je jezelf misschien vast in een bepaalde zienswijze en creëer je hierdoor een soort tunnelvisie. Hierdoor gaat volgens mij de kwaliteit verloren. Er is dus geen vaste methode. We ontwerpen voor elke klant een nieuw concept. Dat maakt ons werk misschien veel minder herkenbaar. We schrijven geen teksten of verslagen, maar we gebruiken beeldverhaal. Het verhaal wordt soms wel in steekwoorden opgehangen, maar het is altijd ondersteunend aan het beeld. We voeren eerst een discussie met de opdrachtgever over de persoonlijkheid. Wij hebben helemaal geen interesse om een concept theoretisch te benaderen, wat misschien heel raar is. Ik heb ooit gehoord over voetbalkeepers, dat de ene keeper in de hoek duikt waar hij denkt dat de bal komt en de andere keeper heeft geleerd dat in de meeste gevallen een linksbenige speler een bepaalde hoek kiest. Wij duiken gewoon naar de hoek waar wij denken dat de bal komt. We willen niet van tevoren research doen en hoeven niet van tevoren alles te lezen. Wij gaan er vanuit dat iedereen die aan tafel zit een mening heeft over de omgeving, 24 uur per dag zijn sensoren aan heeft staan en weet wat er gebeurt om zich heen. Als we om tafel gaan zitten, dan gaan we er vanuit dat die kennis er is. Wij kunnen meer afstand nemen en daardoor veel beter de essentie uitleggen.

Hebben jullie een vast team om mee te brainstormen?
Iedereen die aan tafel zit denkt mee. De één is het meest ervaren in beeldend werken en kan in een aantal beelden uitleggen wat we hebben besproken. Anderen zijn super gespecialiseerd in hoe een concept vertaald moet worden naar materiaal, ruimte of verhoudingen. Soms zit er een stagiaire bij die heel fris iets heel doms of juist iets heel geniaals roept, omdat ze helemaal geen bagage heeft en zich bepaalde zaken afvraagt. Je denkt na over waarom iets is zoals het is. Als je vanzelfsprekendheid doorgrondt en oplost, creëer je zoveel meer vrijheid. Na de brainstorm wordt het concept getest door iedereen. Het wordt overal in toegepast en daarna wordt er tegenaan geschopt om te kijken of het wel overeind blijft staan. Iedereen moet het snappen en iedereen moet het kunnen beargumenteren. Als er nergens meer een haakje te vinden is, is het klaar voor de presentatie. Hier zitten niet alleen de topcreatieven aan tafel. Hier zit het team dat het moet doen. Als je ieders werk naast elkaar legt en het blijkt te kloppen, dan krijg je een heel goed verhaal.

Hoe presenteren jullie het idee aan de klant?
We verkopen eerst het concept. Het team dat het bedenkt, legt het ook uit aan de klant. We maken inzichtelijk hoe onze gedachtesprongen zijn geweest en nemen de klant stap voor stap mee in onze gedachten. We proberen klanten uitleg te geven aan de hand van praktijkvoorbeelden. We willen heel graag presenteren aan degenen die de beslissingen nemen. Als ik moet presenteren aan iemand die angstig is en die vervolgens met dat plan naar zijn directeur moet om het te verkopen, dan is dat moeilijk. Er wordt niets vastgelegd op papier, maar het zit allemaal in ons hoofd. Het sprookje zit in de presentatie. Of het nu een filmpje is of muziek, een keynote, een powerpoint of een pdf.

Hoe inspireren jullie elkaar?
Door zo dicht mogelijk bij onszelf te blijven. Ook proberen we iedereen hier een kans te geven en delen we heel veel. We zijn net met z’n allen naar Milaan geweest en organiseren dan dat iedereen z’n foto’s opstuurt van de vetste en de meest verschrikkelijkste dingen die ze hebben gezien. Dat gaan we naderhand gezamenlijk discussiëren waarom iets wel of niet aantrekkelijk is. Het is heel moeilijk bij sollicitaties, maar we proberen toch te kijken of mensen dat gevoel hebben of intuïtief durven te denken en niet bang zijn. Volgens mij is angst de grootste tegenstander van intuïtief denken. Als je heel weinig angst hebt en niet bang bent voor een klant die zegt dat ze er 400 winkels van gaan maken, dan komt het wel goed. We betrekken nieuwe mensen zoveel mogelijk bij projecten, maar sturen ze ook naar een lopend project in Korea om daar eens te gaan kijken.

Wat gebeurt er aan tafel, voordat je op een idee komt?
Het gaat altijd anders, maar meestal is er wel bij één of twee mensen een idee en dat wordt besproken. Vaak ontstaat er een synergie-effect. Iemand legt iets op tafel en dan legt een ander er iets bovenop wat het zoveel beter maakt. Dan is bijna de vraag was de voorzet belangrijker of de inkopper? Maar zonder die voorzet was het doelpunt nooit gekomen. Je weet eigenlijk nooit wie het idee heeft bedacht. Dat is de chemie tussen mensen. We hebben een klant gehad die de hele tijd riep: “Glam glam glam, our brand is about glam, glam, glam.” Nu heeft ze een hotel met duizend glitterballen. Het is zo overweldigend en absurd, met zo verschrikkelijk veel spiegels. Ze zal nooit meer “glam, glam, glam” tegen ons zeggen. Het werkt fantastisch en iedereen vindt het geweldig. Alles reflecteert. We hebben haar vraag beantwoord door alles over de top te spiegelen, waardoor wij het weer leuk gingen vinden.

Wat zijn de eigenschappen van een goed concept?
Het blinkt uit in eenvoud en wij vinden die mindfuck leuk, op het moment dat je een verwachtingspatroon compleet op z’n kop zet. Dit is niet altijd door het extreem anders te doen, maar soms door het gewoon extreem basic te doen. Als je in Italië een pizza eet met alleen tomaat en mozzarella, dan blijkt de pizza verbazingwekkend lekker te zijn. Dat komt omdat je zo vaak kunstmatige troep met teveel ingrediënten hebt gegeten, dat je bijna was vergeten hoe lekker goed deeg kan zijn met verse tomaat en mozzarella. Soms is de essentie van een café een bar. Dan kan het zijn dat je een knetter-goede bar bouwt en de rest bijna kunt vergeten. Een mindfuck is grappig: Als je een restaurant binnenkomt en er zijn geen tafels en stoelen. Of, als je een hotellobby binnenkomt en er staat maar één bank, waar 150 mensen op kunnen zitten in plaats van veertien verschillende banken. Het onderscheidt zich van elk ander hotel dat 20 banken in de lobby heeft staan. Dit vinden wij hele interessante dingen, waar mensen af en toe wat langer over na moeten denken. Het knaagt en doet misschien een beetje pijn, maar uiteindelijk wordt het een hele beleving die ze nooit eerder hebben gehad en die ze dus veel beter onthouden.

Moet je extreem zijn in conceptdenken?
Je hoeft niet extreem te zijn. Wij maken dingen die in eerste instantie als extreem worden gezien, maar dan heel logisch en prettig blijken te zijn en dan na 10 jaar ineens normaal zijn. Dat is dan omdat het concept in eerste instantie zo goed was dat het zo lang kan blijven bestaan. We proberen graag de nieuwe standaard te maken. Het is een resultaat van maatschappelijke ontwikkelingen dat zo logisch is dat iedereen denkt ‘waarom was dit er niet eerder?’ Het zijn superinteressante discussies. Ik vraag me vaak af waarom vliegtuigen, zoals de Boeing sinds 1962 niet meer zijn veranderd. Er is een zuinigere motor ingekomen en het vliegtuig wordt iets dunner en lichter gemaakt maar de afgelopen 50 jaar is er niet echt iets revolutionairs veranderd. Dat is eigenlijk heel raar want het is een hele hightech manier van bewegen.

Zijn er randvoorwaarden om een goed concept te kunnen ontwikkelen?
Je moet geen angst hebben, wel een grote mate van zelfvertrouwen en intuïtie en er moet een goede klik zijn met de opdrachtgever. De relatie met onze opdrachtgevers is heel intiem en dat is soms best ingewikkeld, vooral als mensen dat niet toelaten. Daarom werken wij heel graag met ondernemers en niet met managers. Een manager is opgeleid om oppervlakkig te blijven. Als je in een briefing de vraag stelt “wat vind jij eigenlijk de mooiste winkel in Amsterdam?” dan zal hij antwoorden dat dit helemaal niet belangrijk is. Voor ons is het hartstikke belangrijk wat men persoonlijk vindt. Wat maakt jouw bedrijf of het bedrijf waar jij werkt anders dan andere bedrijven? Als ze dat niet kunnen vertellen, dan hebben wij best wel moeite om met die mensen te werken. Als er geen relatie is dan wordt het niets en als hij niet gelooft in sprookjes, dan kunnen we hem ook niet meenemen in ons sprookje. Je meot met iemand kunnen sparren en niet tegen elkaar opkijken. Ook moet je bijvoorbeeld, met omklede redenen, kunnen zeggen dat je het er niet mee eens bent. We zijn hier om een selectieve groep mensen verder te helpen met hun leuke plannen, of we maken ze leuk.

Welke conceptdenkers spreken jou aan?
John Körmeling vind ik geniaal. De gemeente Groningen vroeg hem een politiek haalbaar plan te maken om de verkeersproblematiek in Groningen op te lossen. Hij kende de gemeente vrij goed en heeft de kaart van Groningen gekocht, vervolgens geplastificeerd en er bovenop geschreven: dit is een politiek haalbaar plan. Er was geen land te bezeilen met de politiek vond hij. Alles werd tegengehouden. Zijn stelling was: “Het meest haalbare is wat je nu hebt.” Dat soort dingen doet hij. Dat vind ik geniaal. Hij heeft ook de kortste snelweg van Nederland bedacht. Dat was het Museumplein als twintigbaans weg. Ik vind hem erg goed in conceptueel denken. Hij heeft een oprolparkeerplaats achter in zijn auto liggen, dan kan hij overal waar hij wil zijn parkeerplaatsje uitrollen en parkeren. Hij is kunstenaar en architect tegelijk. Hans Teeuwen, Joep van Lieshout en Viktor & Rolf zijn ook geniaal. Ze zitten niet direct in onze branche, maar ze inspireren ons wel heel erg.

Hoe begin je?
Meestal begin ik met het ontwerpen van een lege ruimte en ga ik die ruimte aankleden. Maar stel dat de ruimte helemaal vol ligt met yoghurt, slagroom of schuim en we moeten er een winkel van maken. Dan denk je meteen anders. Ok heb ik heb wel eens geprobeerd om een gebouw te breien, alleen om er over na te denken hoe je dat dan aanpakt. Of hoe zit dat als je een gebouw binnenste buiten keer? Als je een trui met 16 mouwen zou hebben en die zou je binnenste buiten keren, dan krijg je een heel raar ding. Als elke mouw een functie krijgt dan heb je een heel complex gebouw. Waneer je een gebouw binnenste buiten maakt, wat zit dan aan de buitenkant? Dat vind ik interessant om te doen. Het zorgt ervoor dat ik los kom in mijn hoofd met gangbare ideeën. Je moet taboes doorbreken en vanzelfsprekendheden opzij schuiven. Moet bijvoorbeeld elk gebouw op de grond staan? Of lukt het ook om een gebouw op te hangen aan iets dat grootser is en waar je onderdoor kunt lopen. We hebben laatst bij een aantal hotels voorgesteld de lobby op het dak te maken, dat is veel leuker. Dingen op z’n kop zetten, groter of kleiner maken dan nodig, dingen opblazen of dingen heel belangrijk maken die eigenlijk onbelangrijk zijn, dat zijn dingen die Hans Teeuwen ook dagelijks doet in z’n shows. Heel letterlijk genomen, doen wij dezelfde, alleen minder absurd of minder confronterend, maar de technieken zijn hetzelfde.

Zijn daarin bepaalde stappen essentieel?
Het is denk ik een combinatie van stappen. Je moet kookboeken lezen, kunstboeken en geschiedenisboeken. Je moet je voor alle elementen interesseren en die combineren tot iets wat relevant is. Je moet weten wat de essentie is. Als je een museum in rent en je geeft jezelf twintig minuten dan moet je er in twintig minuten achter kunnen komen waar het museum om draait. Ik ben benieuwd of er bureaus zijn die een formule hebben bedacht voor conceptueel denken en of die bedrijven dan nog authentieke dingen kunnen bedenken, of dat ze verzanden in teveel van hetzelfde. Ik heb een opleiding gevolgd om conceptueel te leren denken en heb tijdens mijn studie veel boeken moeten lezen. Ik heb altijd gedacht dat ik er niks aan had, maar misschien heeft het wel bijgedragen aan de manier van denken die ik nu heb en die het team heeft. Conceptdenken is wel een manier van denken die je jezelf moet aanmeten en je hebt er gevoel voor of niet.

Waarom zijn Nederlanders goed in conceptdenken?
Als je heel groot bent in Nederland dan ben je nog steeds heel klein in de rest van de wereld. Dus je hebt eigenlijk niets te verliezen. Als je in India beroemd bent, dan kent 1/8ste van de wereldbevolking je en als je één hit scoort in Amerika, dan ben je gelijk miljonair. Terwijl je in Nederland wel tien hits moet scoren om er een beetje geld aan over te houden. Je moet jezelf tien keer opnieuw uitvinden, voordat je bewezen hebt dat het je lukt. Dat is een van de onderdelen waarom we heel vrij kunnen denken. Die mentaliteit, dat liberalisme, die vrijheid heeft te maken met het feit dat we zo’n klein kutlandje zijn. Je kan als beroemdheid gewoon over straat, waardoor je ook veel meer jezelf blijft. En we zijn in dit land niet hiërarchisch ingesteld dus als we de burgemeester een lul vinden dan zeggen we dat ook tegen hem. Dat kan in het buitenland echt niet. Daar kun je ook geen grap maken over de koningin. We gaan niet eens demonstreren. Wij gaan gewoon voor iemands deur staan, bellen aan en zeggen dat we hem een superlul vinden. En dan vraagt hij ook nog waarom je dat vindt. Je krijgt zelfs een dialoog met degene die je een lul vindt. Volgens mij ligt de basis van hoe wij denken in Amsterdam. Dus als je de weg kan vinden in Amsterdam, je voelt je er thuis en je kunt je ding doen, dan heb je in ieder geval de goede basis om te kunnen denken zoals wij denken. Maar, of wij goed conceptueel denken, dat weet ik niet.

Posted in Boeken/artikelen | Leave a comment